Burger-Weeshuis: streng maar vooruitstrevend

Burger-Weeshuis: streng maar vooruitstrevend

Amsterdams Stadsblad 31 mei 2000

‘Wezen’ zijn er nauwelijks meer. Maar kinderen die jong beide ouders verloren waren er in de middeleeuwen te over. Dat was te danken aan besmettelijke ziekten als de pest en de cholera. Tussen 1522 en 1574 werd Amsterdam geteisterd door zes pestepidemiën. Een overheid bestond begin zestiende eeuw nog nauwelijks. Vandaar dat liefdadigheid vooral de verantwoordelijkheid was van de gegoede Amsterdammer.

Om de weeskinderen van ‘poorters’ – burgers met bepaalde rechten – onder te brengen, stichtte vermoedelijk de rijke burgeres Haasje Claesdochter in 1520 het Burger-Weeshuis. In het voormalige Burger-Weeshuis in de Kalverstraat zit tegenwoordig het Amsterdams Historisch Museum.

Het woord ‘weeshuis’ heeft een associatie met armoede en mishandeling. Wie Oliver Twist van Charles Dickens gelezen heeft, zal dat beamen. De werkelijkheid was echter anders, zo blijkt uit het boek van Ben Endlich en Nanda van der Zee. In ‘Het Amsterdamse Burger-Weeshuys’ beschrijven zij het dagelijks leven van de wezen tussen 1520 en 1900. Uit het gedetailleerde verslag van Endlich, wiens vader opgroeide in het Burger-Weeshuis, spreekt respect en bewondering over de manier waarop de regenten de opvoeding streng maar tegelijk vooruitstrevend ter hand namen.

Ja, er was Het Blok. Een beugel aan het been waaraan een ketting zat met een houten blok. Wezen die straf hadden moesten het blok onder de arm meenemen naar de kerk, om zo te tonen dat ze gestraft waren. Ook was er het Houten Paard, waarop kinderen werden vastgebonden om gegeseld te worden. Na het verbod op lijfstraffen werd dat afgeschaft. En de wezen droegen een uniform. Een jasje waarvan de linkerhelft rood was en de rechterkant zwart, voor zowel meisjes als jongens. De jongens droegen een zwarte pet, de meisjes een wit kanten mutsje.

Tegelijk was het Burger-Weeshuis geen slechte plek om te verblijven. De regenten probeerden de wezen de beste kansen te geven. Daarom leerden de kinderen lezen en schrijven, en daarna een vak naar keuze.

Daarbij probeerde men de leefomstandigheden zo optimaal mogelijk te krijgen. Het weeshuis had een eigen bakkerij, smederij, eigen koeien die voor zuivelproducten zorgden, een eigen dokter, ziekenzaaltjes en zelfs een eigen bierbrouwerij. Auteur Endlich noemt vanwege die grote zelfstandigheid het Burger-Weeshuis een stad in een stad.

Wanneer een kind een vak had geleerd en op eigen benen kon staan, kreeg hij of zij een uitzet mee, afhankelijk van de behoefte. Een timmerman of schoenmaker kreeg een voorschoot, een klerk een zwart lakens pak. Ook was er een geldbedrag beschikbaar, dat na een jaar van gebleken goed gedrag nog eens werd aangevuld.

Kon een wees het zelfstandige leven nog niet aan, dan mocht hij of zij zolang in het weeshuis blijven tot het wel lukte. Sommigen vertrokken daarom nooit, getuige het portret van een vrouw die honderd werd in het weeshuis, en altijd het zwart-rode uniform is blijven dragen.

Dat het leven in het weeshuis beslist voorspoedig was, weet auteur Endlich uit de verhalen van zijn vader. Het was zeker niet het gruwelijke oord met slaag en armoede zoals het cliché on wil doen geloven. Het Amsterdamse Burger-Weeshuys is daarom een aanbevelenswaardig boek dat de regenten van weleer in een ander daglicht zet.

Robert Loeber